Artikel 5. Ontslag en non-activiteit
5a. externe leden
1. Een extern lid van de commissie wordt door de raden ontslagen:
a. op eigen verzoek;
b. bij de aanvaarding van een functie die onverenigbaar is met het lidmaatschap van de commissie;
c. wanneer hij bij onherroepelijk geworden gerechtelijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
d. indien hij bij onherroepelijk geworden rechtelijke uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, surseance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld;
e. indien de raden van oordeel zijn dat het lid niet langer geschikt is zijn functie in de commissie te vervullen.
2. Een extern lid van de commissie kan door de raden worden ontslagen:
a. indien hij door ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is de functie te vervullen;
b. indien hij handelt in strijd met artikel 81h Gemeentewet.
3. De raden stellen een extern lid van de commissie op non-activiteit indien:
a. hij zich in voorlopige hechtenis bevindt;
b. hij bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
c. hij onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, surséance van betaling heeft gekregen of wegens schulden is gegijzeld ingevolge een nog niet onherroepelijk geworden rechtelijke uitspraak.
5. De raden kunnen een extern lid van de commissie op non-activiteit stellen, indien tegen hem een gerechtelijk onderzoek ter zake van een misdrijf wordt ingesteld of indien er een ander ernstig vermoeden is van het bestaan van feiten en omstandigheden die tot ontslag, anders dan vermeld in het eerste en derde lid onder a, zouden kunnen leiden.
6. De raden beëindigen de non-activiteit zodra de grond voor de maatregel is vervallen, met dien verstande dat in een geval als bedoeld in het vijfde lid, de non-activiteit in ieder geval eindigt na zes maanden. In dat geval kunnen de raden de maatregel telkens voor ten hoogste drie maanden verlengen.
5b leden die tevens raadslid
1. Een lid van de commissie dat tevens raadslid is wordt door de raad die hem benoemd heeft ontslagen:
a. op eigen verzoek;
b. bij de aanvaarding van een functie die onverenigbaar is met het lidmaatschap van de commissie;
c. wanneer hij bij onherroepelijk geworden gerechtelijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
d. indien hij bij onherroepelijk geworden rechtelijke uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, surseance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld;
e. indien de raad van oordeel is dat het lid niet langer geschikt is zijn functie in de commissie te vervullen.
2. Het lidmaatschap van een lid dat tevens raadslid is eindigt indien het lid aftreedt als lid van de raad.
3. Een lid van de commissie dat tevens raadslid is kan door de raad die hem heeft benoemd worden ontslagen:
a. indien hij door ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is de functie te vervullen;
b. indien hij handelt in strijd met artikel 81h Gemeentewet.
4. De raad stelt een lid van de commissie dat tevens raadslid is en door hem is benoemd op non-activiteit indien:
a. hij zich in voorlopige hechtenis bevindt;
b. hij bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
c. hij onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, surséance van betaling heeft gekregen of wegens schulden is gegijzeld ingevolge een nog niet onherroepelijk geworden rechtelijke uitspraak.
7. De raad kan een lid van de commissie dat raadslid is en dat door hem is benoemd op non-activiteit stellen, indien tegen hem een gerechtelijk onderzoek ter zake van een misdrijf wordt ingesteld of indien er een ander ernstig vermoeden is van het bestaan van feiten en omstandigheden die tot ontslag, anders dan vermeld in het eerste en derde lid onder a, zouden kunnen leiden.
8. De raad beëindigt de non-activiteit zodra de grond voor de maatregel is vervallen, met dien verstande dat in een geval als bedoeld in het vijfde lid, de non-activiteit in ieder geval eindigt na zes maanden. In dat geval kan de raad de maatregel telkens voor ten hoogste drie maanden verlengen.